Bos vroeg zich af of de overheid alleen bij veilige banken het spaargeld zou moeten garanderen. Mensen kunnen volgens hem dan kiezen voor zekerheid met de bijbehorende lagere rente of voor minder zekerheid met meer rendement bij niet veilige banken, die grotere risico’s durven te nemen met nieuwe financiële producten.
De overheid garandeert nu spaargeld tot 100.000 euro, maar dat strekt zich volgens Bos ook uit tot buitenlandse vestigingen van allerlei banken. Volgens de PvdA-bewindsman is het de vraag of dat allemaal wel de bedoeling was.
Ook zette Bos zijn vraagtekens bij de beursnotering van banken met veel spaargeld, omdat ze door sterk fluctuerende aandeelhouderswaardes in de problemen kunnen komen. Maar van de beurs halen zou wel een heel radicale oplossing zijn, aldus de bewindsman.
De minister vindt dat banken zich wel wat nederiger mogen gedragen en meer mogen proberen het vertrouwen terug te winnen van het publiek. Volgens Bos dreigt het idee te ontstaan dat bankiers straffeloos fouten kunnen maken, omdat de overheid grote financiële instellingen toch wel te hulp schiet.
Sommige banken zijn zo groot dat de overheid het zich niet kan veroorloven om ze stuk te laten gaan, aldus Bos. Volgens hem moet gekeken worden naar de structuur van en toezicht op financiële instellingen om te voorkomen dat ze zo groot worden dat ze onbestuurbaar raken en niet meer controleerbaar op risico’s die ze lopen.
|